Leen Van Tichelen

A CONATIVE INTERACTION

2024
NL
READ ↓

[NL]

Leen Van Tichelen (°1981) werkt van­uit een die­pe ver­bon­den­heid met de mate­ri­a­len die haar omrin­gen en de ruim­te waar­in ze leeft en creëert. Haar artis­tie­ke prak­tijk is een voort­du­ren­de wis­sel­wer­king tus­sen inzicht, inten­tie en bewe­ging. Nauwkeurig zoekt ze met rest­stuk­ken en over­ge­ble­ven mate­ri­a­len naar een intuïtieve balans. Daarbij maakt ze geen vor­men, al zoe­kend ont­staan ze. Van Tichelen geeft haar mate­ri­a­len de ruim­te om zich­zelf te zijn, ter­wijl ze door­dacht en kor­daat bij­stuurt. Deze authen­ti­ci­teit zorgt voor robuus­te struc­tu­ren en deli­ca­te teke­nin­gen waar­bij dat wat ont­breekt zicht­baar gemaakt wordt.

Deze ten­toon­stel­ling open­de met ACT OFCONATIVE SEQUENCE BASE BLOCK II, een per­for­man­ce waar­bij Van Tichelen de fysie­ke han­de­ling van het her­schik­ken van mate­ri­a­len uit­vouwt. Het ver­plaat­sen van ste­nen van de ene sok­kel naar de ande­re toont hoe de kun­ste­naar voort­du­rend bouwt en her­bouwt, denkt en her­denkt. De con­cen­tra­tie die nodig is om de han­de­ling uit te voe­ren is bij­na tast­baar. Het woord cona­ti­ve’ in de titel bete­kent zoveel als ver­bon­den zijn met het men­ta­le pro­ces dat je moti­veert om iets te wil­len doen of te beslis­sen iets te doen.’ Het cona­tie­ve is diep gewor­teld in ons instinct. De per­for­man­ce is bij­ge­volg een licha­me­lij­ke actie die groei ver­sus afbraak en kwets­baar­heid ver­sus kracht cen­traal plaatst. Zo keren wer­vels en de rug­gen­graat vaak terug in Van Tichelens werk uit een fas­ci­na­tie voor wat de mens kan dra­gen en ver­dra­gen. Torsen en stand­hou­den lopen als een rode draad door haar oeu­vre, waar­bij de basis zowel aan­zet als uit­komst is.

Van zodra je de gale­rij bin­nen­komt zie je cona­ti­ve 18 (2018), een sculp­tuur die bestaat uit twee beton­blok­ken die wor­den samen­ge­hou­den door licht rafe­len­de stof. Er gaat hier een soli­de poëzie schuil die een fun­de­ring heeft gevon­den in de inter­ac­tie. In STACK II (2024) zien we hoe elk blok op zijn manier bij­draagt aan het even­wicht van de sculp­tuur, als­of de ene steen alleen maar over­eind kan blij­ven door de steun van de ande­re. Net als een rug­gen­graat heb­ben de blok­ken iets gron­dends, ter­wijl ze ook fra­giel zijn en wor­den onder­wor­pen aan de pro­ces­sen die ze onder­gaan. De sculp­tu­ren ade­men iets van­zelf­spre­kends uit. Het zijn sta­pels die een com­pleet­heid in zich dra­gen, als ster­ke, op zich­zelf staan­de schouders.

De fas­ci­na­tie voor wat de mens (ver)dragen kan in Van Tichelens werk is dui­de­lijk te zien in de reek­sen BLACK BRAIN (2015), ver­te­brae (2016) en Larynx (2016). Zo onder­zoekt Van Tichelen in de serie BLACK BRAIN de grij­ze mas­sa van men­sen die leed en destruc­tie ver­oor­za­ken. De her­se­nen, weer­ge­ge­ven in glan­zen­de, don­ke­re verf, lij­ken bedekt met teer en roe­pen de ongrijp­ba­re aard van de men­se­lij­ke geest op. We zien een glimp van een ver­ont­rus­ten­de maar fas­ci­ne­ren­de ver­bin­ding tus­sen de men­se­lij­ke psy­che en het fysie­ke brein met zijn gespie­gel­de her­sen­helf­ten; spie­ge­lin­gen die val­se twee­lin­gen zijn. De wer­ken uit de reeks Larynx heb­ben een gelijk­aar­dig effect. Beide helf­ten samen vor­men tel­kens een strot­ten­hoofd dat zo groot is dat je er haast in kan ver­dwij­nen – zij het niet zoals onder een warm deken, maar als in een over­wel­di­gen­de beklem­ming. De wer­ken evo­ce­ren het ver­stik­ken­de gevoel dat mach­te­loos­heid ver­oor­zaakt als een dwang­buis van schu­rend papier.

De col­la­ge­reeks 80 pie­ces of ten bir­ds fal­ling down in four dif­fe­rent ways (2016) werd geba­seerd op de veer­tig teke­nin­gen van Ten bir­ds fal­ling down in four dif­fe­rent ways (2016). In de teke­nin­gen werd onder­zocht hoe je met één enke­le vorm ver­schil­len­de bewe­gin­gen kan uit­druk­ken; van­uit één basis­vorm ont­wik­kel­den zich vier nieu­we vor­men, elk met een eigen dyna­mi­sche ver­plaat­sing. Voor de col­la­ges werd tel­kens in elke teke­ning op twee stuk­ken inge­zoomd als op zich­zelf staan­de wer­ken waar er bewe­ging in alle rich­tin­gen plaats­vindt: op en neer, naar bin­nen en naar bui­ten. De wer­ken uit deze reeks zijn soms op brui­ne stu­clo­per gemaakt, dan weer op glan­zen­de alu­l­o­per – een opper­vlak dat Van Tichelen vaker inzet in plaats van de klas­sie­ke papie­ren dra­ger. Het is een mate­ri­aal dat ze omarmt als trou­we onder­grond en dat ze zorg­vul­dig bewaart om te gebrui­ken voor nieu­we wer­ken. Zo maken alle wer­ken deel uit van elkaar. Het werk met num­mer B5 F4 P2 ver­dub­belt de stan­daard­vorm en maakt op zijn beurt de muur deel van het geheel; de muur krijgt als rest­vorm dezelf­de waar­de als het kunst­werk. Beide ele­men­ten hou­den elkaar in balans.

Van Tichelens pro­ces is ver­ge­lijk­baar met mini­mal land art, maar dan met een per­soon­lij­ke twist, waar­in de brok­stuk­ken en rest­stof­fen uit haar omge­ving zich ont­wik­ke­len tot sculp­tu­ren die de ruim­te herdefiniëren. Ze accep­teert en viert de bewe­gin­gen van haar mate­ri­aal. Zo ont­staat er een oeu­vre dat uit­no­digt tot reflec­tie op de kwets­baar­heid van het leven, de zoek­tocht naar even­wicht, en de onver­mij­de­lij­ke dyna­miek van val­len en opnieuw opstaan.

© Yasmin Van 'tveld